Daar stond ze. In het blauw gekleed. Badend in het licht aan het einde van de tunnel. Roerloos. Het was alsof ze wachtte. Ze merkte me niet op.
Hier stond ik. Veilig in het donker van de tunnel. Ik aarzelde even, keek om me heen. Niemand. Met grote maar langzame passen stapte ik op haar toe.
Ze keek even opzij, monsterde me van kop tot teen, keek weer weg.
Ik liep haar quasi-nonchalant voorbij, bleef aarzelend staan.
(Blauw, blauw, blauw, ik keer terug naar jou.)
Ik had een droge keel, ik slikte.
Mevrouw, zei ik. Ik deed mijn best om mijn stem niet te doen trillen.
Ja, zei ze.
Mag ik u wat vragen?, vroeg ik.
Ja, zei ze.
Komt u hier vaak?, vroeg ik.
Ja, zei ze.
Dit is de inrit van een garage, zei ik.
Ze zei niets, ze keek alleen.
Privédomein, zei ik.
Ze zei niets, ze keek alleen.
Als u zich hier wil verstoppen om onwetende weggebruikers te kunnen betrappen op verkeersovertredingen, moet u daar toestemming voor vragen, zei ik.
Ze keek me aan en greep naar haar boekje.
Ik keek haar aan en greep naar mijn mobieltje.
‘[Voornaam], [parasiet] hier, van nummer [nummer]. Er staat een agente verstopt in de inrit van de garage. Heb jij daar toestemming voor gegeven? Nee? Jij bent advocate, jij moet dat weten, heeft zij dan het recht om hier te staan? Nee? Wat zeg je? Of ik haar dat wil zeggen? OK. ‘t Is niks hoor. Ja. Daag.’
De huisbazin wil u aanklagen wegens huisvredebreuk, zei ik.
(Ik heb vannacht gedronken en gezien, hoe geen vrouw ooit krijgt wat ze verdient.)
Ze droop af, jankend, met de staart tussen de poten.
Mijn benen trilden. Ik wachtte in stilte tot het mannetje op groen sprong. En toen ik overstak, stond ze er nog steeds.
(Ik heb vannacht gekeken en beleefd hoe geen vrouw ooit terugkrijgt wat ze geeft.)